Het gerechtshof oordeelde in 2019 dat de fosfaatrechten in beginsel van de pachter zijn. Als in de pachtovereenkomst niets (anders) is overeengekomen, is de pachter alleen verplicht tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Tussen verpachter en pachter bestond op 2 juli 2015 een reguliere pachtovereenkomst of en geliberaliseerde pachtovereenkomst die bij het aangaan 12 jaar of langer duurt; Het betreft hoevepacht of pacht van minimaal 15 ha grond of pacht van een gebouw; het gebouw moet specifiek zijn ingericht voor de melkveehouderij en voor de uitoefening daarvan noodzakelijk zijn en door de verpachter ten behoeve van het bedrijf van de pachter aan de pachter ter beschikking zijn gesteld.
De fosfaatrechten worden voor 50% toegerekend aan de gebouwen en 50% aan de grond die de pachter op 2 juli 2015 ten behoeve van het gehouden vee ten dienste stonden en naar verhouding toegerekend aan het gepachte. Bij het einde van de pachtovereenkomst moet de verpachter 50% van de marktwaarde van de fosfaatrechten aan de pachter betalen. Onlangs ging het in een zaak voor het gerechtshof om de vraag of dezelfde regeling ook geldt voor erfpacht. Het hof oordeelde dat in het algemeen een erfverpachter geen recht heeft op de fosfaatrechten die zijn toegekend aan een erfpachter. Er geldt volgens het hof een uitzondering wanneer de voorwaarden van een agrarisch erfpachtrecht materieel aansluiten bij de wettelijke regels voor langdurige pachtovereenkomsten. Daarbij is onder meer van belang hoe de canon is vastgesteld en of sprake was van andere financiële afspraken die vergelijkbaar zijn met pacht. Erfpachtrechten van korter dan 25 jaar of met een onbepaalde duur vallen op grond van de wet al onder de dwingendrechtelijke regels voor pachtovereenkomsten. Daarvoor gelden de regels over overdracht van fosfaatrechten dus ook. Voor andere erfpachtrechten moet de erfverpachter aantonen dat de voorwaarden van het erfpachtrecht niet gunstiger zijn.