Heeft extreme droogte geleid tot een fors lagere opbrengst? Dan kan een pachter onder voorwaarden aanspraak maken op vermindering van de pachtprijs. Artikel 7:330 BW biedt hiervoor ruimte wanneer sprake is van buitengewone omstandigheden die de opbrengst aanzienlijk hebben verminderd ten opzichte van wat bij het aangaan van de pachtovereenkomst mocht worden verwacht. Een lagere opbrengst in een normaal slecht jaar is niet voldoende. De droogte moet uitzonderlijk zijn en de gevolgen mogen niet redelijkerwijs door de pachter te voorkomen zijn, bijvoorbeeld door verzekering of andere maatregelen zoals beregening. De pachtprijs wordt bovendien niet automatisch verlaagd. Komen pachter en verpachter er samen niet uit, dan kan de pachter een verzoek indienen bij de grondkamer. Daarbij ligt de bewijslast in beginsel bij de pachter. Een goed onderbouwd verzoek is daarom belangrijk. Denk aan gegevens over de droogteperiode, getroffen percelen en gewassen, opbrengstregistraties (per perceel), neerslag- en bodemvochtgegevens, beregening, foto’s en vergelijkingen met normale opbrengsten. Ook moet concreet worden berekend welke tijdelijke vermindering wordt gevraagd. Let op! Een vordering vervalt zes maanden na het einde van het betreffende pachtjaar of -seizoen.