Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft een belangrijke uitspraak gedaan over de vraag wanneer landbouwgrond tot het bedrijf van een landbouwer behoort in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). In de zaak stond een aardappelteler tegenover de minister van Landbouw, die meende dat diverse percelen landbouwgrond feitelijk door de teler werden gebruikt en daarom door hem hadden moeten worden opgegeven in de Gecombineerde opgave. De zaak draaide om een veelvoorkomende constructie in de landbouw. Een aardappelteler teelde aardappelen op percelen van melkveehouders en andere landbouwers. De minister stelde dat de teler de feitelijke beschikkingsmacht had over die gronden, omdat hij de meeste werkzaamheden uitvoerde, besliste over gewasbescherming en het rooien organiseerde. Daarom zouden de betrokken percelen tot zijn bedrijf behoren. Omdat hij die gronden niet had opgegeven, kreeg hij een korting van 3% op zijn GLB-subsidies over het jaar 2020. Tegelijkertijd werden bij meerdere landbouwers eerder toegekende basis- en vergroeningsbetalingen verlaagd en teruggevorderd. Het CBb oordeelde dat doorslaggevend is of een landbouwer voldoende autonomie behoudt over het gebruik van de grond en of de landbouwactiviteiten namens en voor rekening van die landbouwer plaatsvinden. De betrokken melkveehouders en landbouwers waren eigenaar van de percelen, bepaalden zelf dat aardappelen werden geteeld en gebruikten de teelt mede voor bodemverbetering ten behoeve van hun eigen bedrijfsvoering. Bovendien droegen zij mede het teeltrisico, omdat hun financiële opbrengst afhankelijk was van de aardappeloogst. De aardappelteler factureerde namelijk zijn door hem verrichte werkzaamheden aan de grondeigenaar en de grondeigenaar kreeg een vergoeding voor de werkelijk geoogste hoeveelheid aardappelen. Dat de aardappelteler veel uitvoerende werkzaamheden verrichtte, maakte hem volgens het CBb nog niet tot feitelijk gebruiker van de grond. Het CBb benadrukte dat loonwerkzaamheden en gespecialiseerde teeltbegeleiding in de moderne landbouw gebruikelijk zijn. Zolang de grondeigenaar voldoende zeggenschap houdt over de exploitatie van het perceel, blijft het perceel onderdeel van diens bedrijf. Alleen voor drie percelen erkende de aardappelteler uiteindelijk zelf dat sprake was van huur en feitelijk gebruik door hem. Het CBb verlaagde daarom de korting op zijn GLB-subsidies van 3% naar 1%.